Maart 2005

Peter Tom Jones en Roger Jacobs

Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis


Taal is macht. Wie erin slaagt zijn terminologie, zijn analysekader op te dringen aan een gemeenschap, bepaalt niet alleen voor een groot deel hoe men naar een complexe werkelijkheid kijkt, maar beïnvloedt ook de mogelijkheden die zowel beleidsmakers als (individuele) burgers kunnen zien om deze werkelijkheid te veranderen. Met betrekking tot het sociaal-ecologisch vraagstuk is dat niet anders. Tijdens de laatste twee decennia heeft zich een ware verschuiving in paradigma’s voltrokken: van het discours rond ‘de grenzen aan de groei’ uit de jaren zeventig naar het hedendaagse, uiterst dubbelzinnige begrip ‘duurzame ontwikkeling’. Het is onze overtuiging dat dit concept, in zijn gangbare betekenis, een rookgordijn optrekt rond de diepere oorzaken van het mondiale sociaal-ecologische vraagstuk. Om een aanzet te geven tot het vinden van rechtvaardige en ecologisch duurzame oplossingen, willen we proberen bij te dragen tot een alternatieve benadering, niet het minst op het vlak van de taal. Dit impliceert de noodzaak van een ‘tegenvertoog’[1]. De kiemen voor dit alternatieve verhaal – dat ecologie en rechtvaardigheid in één visie wil verenigen – zoeken wij in (door anderen ontworpen) concepten als ‘ecologische duurzaamheid’, ‘ecologische schuld’ en ‘milieu(on)rechtvaardigheid’.

Van grenzen aan de groei…

In opdracht van de Club van Rome verscheen in 1972 het spraakmakende rapport Limits to Growth. Vier jonge onderzoekers maakten aan de hand van een computermodel een aantal projecties voor de toekomst. Zij concludeerden dat – als de trends in de groei van de wereldbevolking, industrialisering, vervuiling, voedselproductie en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen zich zouden doorzetten – de grenzen aan de groei nog vóór het jaar 2100 zouden worden bereikt, met de instorting van het wereldsysteem tot gevolg. In tegenstelling tot de karikatuur die men er vandaag vaak van maakt, was het rapport niet defaitistisch. Het deed immers geen ‘voorspellingen’, maar stelde wel ‘projecties’ op van mogelijke resultaten, uitgaande van geselecteerde scenario’s.

De conclusies van dit uitermate invloedrijke document zorgden voor een ware revolutie in het denken over het milieu. Wellicht voor de eerste keer in de geschiedenis werd het blinde vooruitgangsgeloof ook vanuit een wetenschappelijke invalshoek radicaal ter discussie gesteld. Daarnaast wees het rapport in niet mis te verstane bewoordingen op de biofysische eindigheid van de planeet Aarde.

Hoewel het rapport van de Club van Rome de nadruk legde op de dreigende uitputting van de niet-hernieuwbare grondstoffen, weet men inmiddels dat enerzijds de overbelasting van de opnamecapaciteit voor afval van ’s werelds ecosystemen en anderzijds het beperkte regeneratievermogen van hernieuwbare bronnen als bossen en visstanden wellicht nóg acutere problemen vormen. De wetenschappelijke literatuur leert dat de totale inwerking van de wereldbevolking op het milieu het ecologisch draagvermogen van de planeet Aarde thans overschrijdt. Men heeft dit ecologisch deficit ruw – maar conservatief – geschat op ongeveer 20%[2]. Daarbij komt dat de rijkste 20% van de wereldburgers beslag leggen op 80% van het mondiale milieu. De grenzen aan de biofysische groei zijn inmiddels bereikt. Het ecosysteem Aarde verkeert thans in een no-analogue state[3], een begrip waarmee wordt aangegeven dat zowel de snelheid, de grootte als de ruimtelijke schaal van door mensen aangebrachte wijzigingen zonder weerga zijn in de geschiedenis van deze planeet – zodat er dus geen ‘analoge’ toestand meer is waarmee men het huidige tijdvak (het ‘Antropoceen’[4]) kan vergelijken. Onvoorspelbaarheid zal tijdens de komende decennia troef zijn.

… naar de genesis van duurzame ontwikkeling

Anderzijds kan worden vastgesteld dat de laatste decennia het besef van eindigheid (hier: de onhoudbaarheid van eindeloze groei) in politiek-economische kringen plaats heeft moeten maken voor de nieuwe ideologie van ‘duurzame ontwikkeling’. Hoe heeft deze idee zo snel aan invloed kunnen winnen? Begin jaren tachtig riepen de Verenigde Naties een nieuwe commissie in het leven die zich moest buigen over de milieu- en ontwikkelingsproblematiek. Onder voorzitterschap van de Noorse politicus Gro Harlem Brundtland produceerde deze World Commission on Environment and Development in 1987 haar eindrapport Our Common Future. Voor de definitie van duurzame ontwikkeling grijpt men ook tegenwoordig nog terug op dit document: ‘een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om hetzelfde te doen, in gevaar te brengen’. De ondertussen bijna legendarische wereldtop in Rio de Janeiro, waar in 1992 de United Nations Conference on Environment and Development (UNCED) plaatsvond, kan men beschouwen als de tweede mijlpaal in de vestiging van het begrip duurzame ontwikkeling. Op deze conferentie poogde men een oplossing te vinden voor twee uiterst complexe crisissen: het milieuvraagstuk en de roep om mondiale rechtvaardigheid. Helaas durfde de conferentie in Rio het niet aan de netelige kwestie van het verband tussen beide vraagstukken onder ogen te zien, waarbij immers zowel de aanhoudende economische race in het noordelijk halfrond als de imitatie hiervan in het Zuiden ter discussie zouden moeten worden gesteld[5].

Terwijl de term ‘duurzaamheid’ (sustainability) vroeger werd gebruikt in verband met hernieuwbare ‘grondstoffen’ als bossen of visstanden, werd het begrip ‘duurzaam’ nu als bijvoeglijk naamwoord toegevoegd aan het, stilzwijgend belangrijker geachte, zelfstandig naamwoord ‘ontwikkeling’. Maar het begrip ‘ontwikkeling’ is een toonbeeld van conceptuele onduidelijkheid. ‘Ontwikkeling’ kan immers bijna alles betekenen, van de aanleg van exotische zwembaden voor gegoede toeristen tot elementaire watervoorzieningen voor de één miljard zielen die het zonder vanzelfsprekende toegang tot water moeten stellen; van intercontinentale vliegreisjes tot elementaire mobiliteit. In een notendop: betreft het ontwikkeling als kwantitatieve groei van het Bruto Nationaal Product of ontwikkeling als kwalitatieve verbetering van het sociaal-economisch leven van de 2,8 miljard mensen die moeten overleven met minder dan twee dollar per dag? Helaas heeft de eerste visie vrij snel de overhand gekregen op het kwalitatieve aspect, waarop ecologisch economen als Herman Daly zo vaak hebben gewezen:

‘Het ecosysteem Aarde ontwikkelt zich, maar groeit niet. Het deelsysteem, de economie, moet uiteindelijk ook stoppen met groeien, hoewel het zich kan blijven ontwikkelen. De term duurzame ontwikkeling snijdt daarom hout, maar enkel als men er "ontwikkeling zonder groei" mee bedoeld, bv. de kwalitatieve verbetering van een fysische economische basis die in een stationaire toestand wordt onderhouden via een doorstroom van materie en energie die de regeneratie- en afvalopnamecapaciteit van de ecosystemen respecteert. Vandaag wordt de term duurzame ontwikkeling gebruikt als een synoniem voor het "oxymoronische" duurzame groei… een cultuur die voor haar economische stabiliteit afhankelijk is van exponentiële groei.’[6]

Aangezien ontwikkeling-als-groei op deze manier eenvoudig kon worden ingebed in de idee van duurzame ontwikkeling, heeft de conferentie van Rio – wellicht onbewust – de notie van economische groei als begerenswaardig nieuw leven ingeblazen, precies datgene wat voorheen zo zwaar werd bekritiseerd in het discours over ‘grenzen aan de groei’. Sommigen – zoals de in wetenschappelijke kringen[7] vermaledijde Bjorn Lomborg – gaan zelfs nog verder en stellen dat economische groei de conditio sine qua non vormt voor sociaal-ecologische ontwikkeling én voor de terugdringing van de armoede.

De heropleving van het ontwikkelingsdiscours

Door de vaagheid van het concept ‘ontwikkeling’ stelde men in Rio geen vragen over het feit dat het Noorden vanuit ecologisch oogpunt ‘overontwikkeld’ is, in die zin dat het consumptiepatronen vertoont die volstrekt niet te veralgemenen zijn voor de gehele wereldbevolking. Immanuel Kant zou dit juist daarom een ‘ondemocratische’ welvaart hebben genoemd: een levenswijze die een aanhoudende toe-eigening vereist van de natuurlijke hulpbronnen in andere werelddelen. In het jargon van het ontwikkelingsdenken kan een land echter onmogelijk ‘overontwikkeld’ zijn: het is ofwel ‘ontwikkeld’, ofwel ‘onderontwikkeld’. We horen hier echo’s van een beruchte toespraak van President Harry Truman, zijn inaugurale rede voor het Amerikaanse Congres. In deze legendarische speech – in 1949 – reduceerde hij de immense diversiteit van het zuidelijk halfrond tot een ‘onderontwikkeld gebied’ dat men de helpende hand moest toesteken. De ontwikkelingsgraad van een land zou men voortaan kunnen aflezen aan zijn Bruto Nationaal Product.

Waarvoor Truman en zijn medestanders echter geen oog hadden, was dat ontwikkeling-als-groei een race zonder eindstreep is. Maria Mies en Vandana Shiva hebben er in Ecofeminism (1993) met klem op gewezen dat de ontwikkelingsideologie zichzelf rechtvaardigt door zich te presenteren als een project dat de armoede opheft. Groei zou het probleem ‘armoede’ oplossen en vormde voortaan alfa en omega van de maatschappij; het Noorden had het niveau bereikt dat de landen in het Zuiden zo snel mogelijk moesten trachten te halen (catching-up development). Hierbij verloor men echter uit het oog dat, als er in het Zuiden al stevige groeicijfers konden worden voorgelegd, de vruchten daarvan in de praktijk veelal afvloeiden naar de kleine elites en de betere middenklassen in deze landen. Hoewel groei werd geacht de armoede terug te dringen, zorgde het ontwikkelingstijdperk in de praktijk veelal voor een dubbele polarisatie, zowel tussen landen onderling als binnen die landen, een tendens die zich tijdens de laatste decennia van versnelde economische globalisering heeft doorgezet.

Deze tweevoudige polarisatie gaat hand in hand met de vorming van een ‘transnationale consumptieklasse’. Via allerlei zichtbare én onzichtbare kanalen slaagt deze groep erin, zich in het wereldwijde spinnenweb van grondstoffenstromen royaal te bevoorraden. Volgens het Worldwatch Institute hebben 362 miljoen Chinezen en Indiërs nu dezelfde inwerking op het milieu als de ‘gemiddelde’ Europese, Noord-Amerikaanse en Japanse consument[8]. De kloof tussen Noord en Zuid is tegenwoordig niet langer louter geografisch. Een hoog consumptieniveau (water, fossiele energie, vlees, materialen, enzovoort) is niet langer uitsluitend een westerse aangelegenheid. De ware scheidingslijn loopt tussen de mondiale, geïntegreerde transnationale consumptieklasse én de grote groep ‘plaatselijke armen’: de overbodigen, de ongewensten en de ontmenselijkten die vanwege hun gebrek aan koopkracht van geen tel zijn in de mondiale supermarkt.

Precies omdat in Rio de wereldwijde economische wedloop en het westerse ontwikkelingsmodel niet fundamenteel ter discussie werden gesteld, voelden de groeifetisjisten zich gesterkt in hun mondiale greep naar de ideologische macht: ‘duurzame ontwikkeling’ werd het nieuwe toverwoord. Milieuproblemen in het zuidelijk halfrond werden én worden voorgesteld als het gevolg van onvoldoende kapitaal, verouderde technologie, gebrek aan expertise en zieltogende economische groeicijfers. De oplossing – het navolgen van de westerse, op groei gerichte ontwikkeling – ligt al vast door de formulering van het probleem.

Te weinig aandacht voor intragenerationele solidariteit

In de betekenis van duurzame ontwikkeling als ‘duurzame economische groei’ verdwijnt het aspect van de rechtvaardigheid in de verhouding tussen het noordelijke en het zuidelijke halfrond naar de achtergrond. Wolfgang Sachs stelt terecht dat ecologie in het Westen te eenzijdig wordt bekeken als een kwestie van rechtvaardigheid jegens de generaties die na ons komen[9]. Tal van westerse milieubeleidsbepalers kloppen zich op de borst als verdedigers van de levensvoorwaarden van onze nakomelingen. Het feit dat de klassieke definitie van duurzame ontwikkeling van Brundtland naar de ‘behoeften van de toekomstige generaties’ verwijst, betekent dat de ongelijkheid in de verdeling van de ecologische koek in het heden onderbelicht blijft. Anders gezegd: er is misschien wel sprake van intergenerationele solidariteit (solidariteit tussen verschillende generaties), maar de intragenerationele solidariteit (die binnen een generatie) krijgt te weinig aandacht. Hoewel oog voor de toekomst vanzelfsprekend enorm belangrijk is, kan deze visie echter de aandacht afleiden van de broodnodige intragenerationele rechtvaardigheid. Vandaar dat onderzoekers naar ecologische rechtvaardigheid er met klem op wijzen dat het minstens even belangrijk is zich rekenschap te geven van de manier waarop de druk op het milieu en de risico’s vandaag worden verdeeld tussen Noord en Zuid, tussen arm en rijk.

De veronachtzaming van intragenerationele solidariteit blijkt bijvoorbeeld duidelijk in de discussies over de gevaren van global warming. Terwijl westerse milieuwetenschappers terecht wijzen op de potentieel catastrofale gevolgen van abrupte klimaatwijzigingen binnen enkele decennia, vergeten zij vaak de aandacht te vestigen op het feit dat global warming nu al leidt tot een aantal trage, sluipende gevolgen, vooral voor de armsten in de wereld[10]. Hoewel juist de geïndustrialiseerde wereld verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, zullen de meeste slachtoffers, zeker aanvankelijk, in de landen van het Zuiden vallen. Afgezien van het feit dat de effecten van klimaatwijzigingen sowieso erger zullen zijn in dat deel van de wereld, kunnen mensen die over weinig koopkracht beschikken zich minder goed beschermen tegen de gevolgen van overstromingen, orkanen, besmettelijke ziekten, droogte, enzovoort. Voor de mensen die leven in de periferie van de wereldeconomie gaan sociale en ecologische problemen vaak hand in hand. Hun levenskwaliteit wat voeding, gezondheid, onderdak en levensonderhoud betreft, is onlosmakelijk verbonden met het welzijn van het milieu waarin zij wonen en werken: de natuur is voor deze mensen geen luxe, maar wel een levensnoodzakelijk gegeven. Wanneer globale milieuproblemen de hen omringende ecosystemen aantasten, neemt terzelfdertijd ook de sociale ellende toe. In combinatie met bevolkingsgroei leidt dit tot verdere milieuvernietiging, hetgeen meteen wijst op de noodzaak zowel inter- als intragenerationele solidariteit na te streven.

Het strijdperspectief

In zijn Planet Dialectics (1999) stelt Wolfgang Sachs dan ook terecht dat het begrip duurzame ontwikkeling, in de overheersende betekenis van het woord, vooral een concept van onderdrukking is. Is blijvende groei iets wat men in elk geval gehandhaafd wil zien, dan neemt men stilzwijgend aan dat die zowel geografisch als demografisch beperkt zal blijven. Sachs spreekt in dit kader van duurzame ontwikkeling als een strijdperspectief, waarbij de schuld voor de verloedering van het milieu wordt toegeschreven aan de ‘armen’ in het Zuiden, die zich schuldig maken aan een ‘buitensporig voortplantingsgedrag’. Het strijdperspectief biedt echter geen perspectief. Hoewel het proces van globalisering ertoe heeft geleid dat veel van de lasten voor het milieu van het exuberante consumptieniveau in het Westen zowel in ruimte als in tijd konden worden afgewenteld op het Zuiden en op toekomstige generaties, begint men tegenwoordig de eerste signalen te ontvangen dat deze scheiding tussen kosten en baten, tussen winnaars en verliezers niet langer absoluut is. In de toekomst zullen de rijken overal ter wereld alsmaar meer worden blootgesteld aan de (minder aangename) keerzijde van een wereld van ongelijkheid en gebrek aan duurzaamheid: terroristische aanslagen, opflakkerend geweld, oorlog, migratie, uitputting van essentiële hulpbronnen, extreme weersverschijnselen, enzovoort. Indien de internationale gemeenschap er niet in slaagt een ander model voor globalisering op te bouwen, zal de meervoudige kloof tussen Noord en Zuid als een boemerang naar de transnationale consumptieklasse terugkeren. Wie wind zaait, zal storm oogsten.

Andere en betere definities van duurzame ontwikkeling zijn daarom nodig. Aan de basis van het begrip, in zijn niet-gecorrumpeerde betekenis, liggen twee bekommernissen die de éénentwintigste eeuw verregaand zullen bepalen: de groeiende kloof tussen Noord en Zuid én het voortschrijdend verval en de uitputting van de mondiale ecosystemen waarvan de mensheid afhankelijk is voor haar bestaan. De uitdaging ligt in een manier om beide problemen tegelijk aan te pakken zonder te vervallen in het euvel van ‘duurzame economische groei’. Volgens Wolfgang Sachs kan men in dit kader, naast het hierboven beschreven dominante strijddiscours, ook andere visies op duurzame ontwikkeling onderscheiden. In het astronautenperspectief erkent men de biofysische grenzen aan de groei en probeert men een mondiaal kader te scheppen om zowel de rechtvaardigheids- als de milieucrisis op te lossen; het thuisperspectief pleit voor structurele aanpassingen in het Noorden (verregaande matiging), zodat ruimte kan worden geschapen voor mondiale rechtvaardigheid (een herverdeling tussen Noord en Zuid). In wat volgt zullen wij een lans breken voor een bedachtzame synthese van deze twee visies.

Het astronautenperspectief

Vanuit dit perspectief vertrekt men van de wetenschappelijke vaststelling dat de planeet Aarde één geïntegreerd, materieel gesloten ecosysteem is[11]. Door de snelle ontwikkeling van de wetenschappelijke ecologie heeft men gedurende de voorbije decennia enorme vooruitgang geboekt bij het ontwikkelen van nieuwe meetinstrumenten en waarnemingstechnieken om de toestand van de globe in kaart te brengen. Sachs gebruikt hiervoor het beeld van de astronaut die vanuit de ruimte de blauwe, fragiele planeet Aarde gadeslaat tegen de koude en donkere achtergrond van het universum. Het gaat om niet meer of minder dan het redden van de Aarde. Deze visie houdt zich dan ook vooral bezig met de levensbedreigende mondiale milieuproblemen. Vanuit het astronautenperspectief vat men duurzame ontwikkeling op als een probleem van mondiaal beheer. Vooral in wetenschappelijke vakbladen als Nature en Science wijst men regelmatig op de noodzaak van monitoring en managing. Het wordt dan de taak van experts en wetenschappers, de inwerking van de mens op het milieu op planetaire schaal in overeenstemming te brengen met het ecologische draagvermogen van de aarde. Deze ‘ecologische duurzaamheid’ vereist dat de mensheid haar beslag op het milieu binnen de grenzen houdt: ‘Sustainability requires living within the regenerative capacity of the biosphere’[12].

Anders dan bij het strijdperpectief beseft men in dit geval zeer goed dat het ook moet gaan over een nieuw evenwicht tussen Noord en Zuid. De eenheid van de mensheid vanuit een gedeelde afhankelijkheid van biofysische, levensondersteunende systemen komt tot uitdrukking in de metafoor van het Ruimteschip Aarde dat op koers moet worden gehouden door intelligente en vooruitziende piloten. Naar analogie met de heropbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog roepen milieuwetenschappers in deze context op tot een Global Marshall Plan: een samenwerking van alle belanghebbenden op deze planeet om samen inspanningen te leveren om de demografische groei te beperken, eco-efficiënte technologieën te ontwerpen, de economische spelregels te verbeteren en te ‘vereerlijken’, enzovoort.

Ten aanzien van deze visie op duurzame ontwikkeling zijn diverse kritieken naar voren gebracht. Enerzijds staat het buiten kijf dat het een netelige opdracht is de precieze grootte van de draagkracht van de aarde te leren kennen en zo de veilige grenzen voor exploitatie van de natuur vast te leggen. Als gevolg van de complexiteit van ecosystemen, de onderlinge afhankelijkheid van deelsystemen, het bestaan van moeilijk becijferbare niet-lineaire terugkoppelingsmechanismen en de onomkeerbaarheid van veel systeemevoluties is het immers bepaald niet eenvoudig de precieze kritische drempelwaarden te bepalen én te beheren[13]. Wolfgang Sachs is hierover bijzonder scherp. Tegenover de opkomst van de wetenschap van de ecologie, die een pleidooi hield voor intelligente zelfbeperking, staat thans de ecologische wetenschap, die het managementdenken op een voetstuk wil plaatsen en daarmee opnieuw het startsein heeft gegeven voor de strijd voor de erkenning van de grenzen aan de groei die de milieubeweging al voerde, maar dan op een technocratische manier[14]. Zoals we verder zullen aangeven, is deze kritiek ons inziens té eenzijdig.

Een andere fundamentele kritiek op het astronautenperspectief luidt dat men de natuurlijke wereld nog steeds op een zuiver utilitaire en antropocentrische manier bekijkt. Men vraagt zich af: wat kan de natuur voor ons doen? In die zin is de term ‘natuurlijk kapitaal’ – die centraal staat in het astronautenperspectief – als zodanig al een enorme misvatting, alsof de natuur erom gevraagd heeft zich in economische termen te laten abstraheren. Opnieuw wordt het duidelijk dat taal op zich al onderdrukkend kan zijn. In deze visie beschouwt men ecosystemen, natural capital, als materiële hulpbronnen voor Koning Mens. Het tomeloze materialisme van de westerse cultuur wordt door de vingers gezien, zolang het maar het draagvermogen van de aarde respecteert.

Typisch voor het astronautenperspectief is dan ook dat het zich vooral richt op de mondiale milieuproblemen ‘van de tweede generatie’ – de opwarming, het gat in de ozonlaag, het verlies aan biodiversiteit – omdat die, op lange termijn althans, het voortbestaan van de mensheid in het gedrang brengen. Volgens andersglobalistische denkers als Vandana Shiva verhult de gerichtheid op de mondiale problemen een aantal meer lokale milieuproblemen, waar lokale gemeenschappen vaak evenzeer mee te maken krijgen. Shiva is de mening toegedaan dat mondiale milieuproblemen zo worden geformuleerd dat wordt verborgen dat ‘de globalisering van het lokale de oorzaak is voor de vernietiging van het milieu waarop de lokale bevolking steunt’[15].

Ondanks het onmiskenbare feit dat het astronautenperspectief aandacht heeft voor de rechtvaardigheidscrisis, biedt dit alternatief volgens Shiva geen duurzame oplossingen. Hoewel deze aanpak merkbaar beter is dan en te verkiezen boven het strijdperspectief, schiet ook de technocratische visie op duurzame ontwikkeling tenminste gedeeltelijk tekort. Op poëtische wijze stelt Sachs het als volgt:

‘De taal van de mondiale ecologie bestaat uit satellietbeelden die ‘s werelds vegetatie scannen, uit computergrafieken die interactiecurven doorheen de tijd afbeelden en uit drempelwaarden die als wereldwijde normen worden voorgehouden. Zij construeert een realiteit die massa’s data bevat, maar geen mensen. […] Zij biedt kennis die gezichtsloos en plaatsloos is, een abstractie die een aanzienlijke kost met zich meedraagt: zij veroordeelt de realiteiten van cultuur, macht en deugd naar de vergetelheid. Zij biedt data, maar geen context; zij toont diagrammen, maar geen mensen; zij geeft berekeningen, maar geen noties van moraliteit; zij zoekt stabiliteit maar veronachtzaamt schoonheid.’[16]

Duurzame ontwikkeling en het thuisperspectief

Vanuit het thuisperspectief beschouwt men duurzame (westerse) ontwikkeling als een contradictio in terminis. Hét centrale probleem van vandaag is de absolute overontwikkeling van het Noorden, dat een immense ecologische schuld heeft aan het Zuiden. Een fundamentele stelling van het thuisperspectief houdt in dat, gezien de reële biofysische grenzen aan de groei, de rechtvaardigheidscrisis niet langer kan worden opgelost via de klassieke (keynesiaanse) groeistrategieën die opgang maakten ten tijde van de uitbouw van de sociale welvaartstaat in West-Europa in de jaren zestig. Volgens deze visie kon men de rechtvaardigheidsvraag ‘oplossen’ door het vergroten van de economische koek. Veeleer dan de bestaande koek eerlijker te (her)verdelen tussen rijk en arm, pleitten links én rechts ervoor de taart te vergroten door economische groei, zodat iedereen vanzelf een groter stuk zou verwerven. Ook in het Brundtlandrapport (1987) riep men nog op het Wereld Economisch Product met een factor vijf à tien te vergroten, zodat ook de ‘armen’ aan hun trekken zouden komen. Helaas is deze visie vandaag achterhaald. De economische taart kan niet eindeloos in omvang toenemen. Daarom stelt het thuisperspectief dat we de klassieke groeistrategieën moeten laten voor wat ze zijn. In plaats van meer economische groei is een radicale herverdeling van de bestaande economische taart op wereldvlak noodzakelijk. Armoedebestrijding kan niet zonder gelijktijdige rijkdombestrijding.

Door het thuisperspectief ontmoeten de meer radicalen van de westerse andersglobalisten de lokale bewegingen en organisaties uit het Zuiden (figuren als Vandana Shiva en Walden Bello). Op wereldvlak pleiten zij voor eerlijke handelsrelaties tussen Noord en Zuid, voor de kwijtschelding van de financiële schuld van de Derde Wereld of voor technologische transfers van Noord naar Zuid, ter compensatie van zijn ecologische schuld, enzovoort. Het westerse ontwikkelingsmodel wordt beschouwd als een deel van het probleem; aanhangers van het thuisperspectief pleiten daarom voor lokale ontwikkelingspaden als alternatief voor op export gerichte groeistrategieën. Dit ontwikkelingsparadigma omvat concepten als economische deglobalisering, herlokalisering en decentralisering van de economie, terugdringing van de kapitalistische markt- en winstlogica, enzovoort[17].

In het thuisperspectief ontkent men allerminst de grenzen die ons worden opgelegd door de biofysische eindigheid van de aarde. Veeleer dan deze grenzen te beschouwen als beperkingen, zal men deze zien als uitdagingen die ons aanzetten te zoeken naar alternatieve vormen van het goede leven. Grenzen worden daarbij omgebogen in kansen, zodat een nieuwe, minder materialistische en minder antropocentrische cultuur kan rijpen. Het gaat daarbij niet om de idealisering van kleinschalige traditionele samenlevingen, noch om het herstel van het oude provincialisme en de navelstaarderij van de dorpsmentaliteit. Wel hebben we behoefte aan niet meer of minder dan een nieuw paradigma van beschaving, waarbij de menselijke ontwikkeling een richting kan uitgaan die het leven in de brede zin respecteert[18]. De Braziliaanse bevrijdingstheoloog Leonardo Boff pleit in zijn A Etica Da Vida (2000) voor een nieuwe cosmovision, voorbij het klassieke, moderne en reductionistische wereldbeeld.

Op zoek naar de synthese

De kritieken die het thuisperspectief naar voren brengt op het astronautenperspectief zijn ons inziens slechts tot op zekere hoogte correct. In zijn zuivere vorm vertoont ook het thuisperspectief beperkingen. Gezien de ernst en de aard van de hedendaagse milieucrisis is een of andere vorm van mondiaal ecobeheer onontbeerlijk. Mondiale milieuproblemen als de destabilisering van het klimaat vereisen verregaande, wereldwijde samenwerking, monitoring en coördinatie, ongeacht de wijze waarop de problemen tot stand zijn gekomen. Daarnaast zijn er als gevolg van de opkomst van de ecologische wetenschap ook positieve zaken te melden. Hoewel het klopt dat deze vaak wordt misbruikt om de menselijke dominantie van het ecosysteem Aarde te verwetenschappelijken, is ook de milieuwetenschap zélf een omstreden domein. Maar het is door de ecologische wetenschap dat we tegenwoordig het inzicht hebben verworven dat het functioneren van complexe en dynamische ecosystemen juist zo onvoorspelbaar is. Recente ontwikkelingen hebben daarbij aangetoond dat, gezien de alomtegenwoordigheid van niet-lineariteit en ongekende kritische drempelwaarden, het voorzorgsprincipe[19] nog steeds de beste raadgever is.

En er is nog een tweede reden waarom een thuisperspectief onvoldoende garanties biedt op duurzaamheid. Lokale gebeurtenissen en excessieve levenswijzen kunnen elders in de wereld nadelige gevolgen hebben. Dat leidt soms tot het ironische resultaat dat mensen in de meest afgelegen plaatsen ter wereld worden blootgesteld aan de risico’s en gevaren die in het centrum van de wereldeconomie werden veroorzaakt, zoals chemische vervuiling, het gat in de ozonlaag, enzovoort[20]. Global warming is een ander bekend voorbeeld. Zo is de krottenbewoner in La Paz, de visser in Senegal of de herder in Ethiopië op geen enkele wijze verantwoordelijk voor de global warming, maar hij is er wél een van de eerste slachtoffers van. Deze voorbeelden illustreren meteen waarom we verplicht zijn op een of andere manier ‘het bereik van onze verantwoordelijkheid in overeenstemming te brengen met het bereik van deze effecten’[21]. Het astronautenperspectief blijft dus broodnodig en moet worden gecombineerd met de beste elementen uit het thuisperspectief.

Juist omwille van de verregaande pervertering van het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ in zijn gangbare betekenis, dringt zich de vraag op of het nog langer zinvol is dit concept te hanteren. De vraag stellen, is ze beantwoorden. Veeleer dan duurzame ontwikkeling na te streven, zal de internationale gemeenschap erin moeten slagen ecologische duurzaamheid te ontwikkelen, en de vruchten daarvan dan rechtvaardig te (her)verdelen. There is no time to waste.



[1] Voor het belang van ‘tegenvertogen’, zie Dieter Lesage, Vertoog over verzet. Politiek in tijden van globalisering, Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2004.

[2] Jonathan Loh (red.), Living Planet Report 2002, WWF, Gland, 2002; Mathis Wackernagel e.a., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, in PNAS, 99 (14), 2002, blz. 9266-9271.

[3] Deze wetenschappelijke term ontlenen we aan de onderzoekers van het International Geosphere Biosphere Program, zie Will Steffen e.a., Global Change and the Earth System, Springer-Verlag, Berlijn, 2004.

[4] Om aan te geven wat de noodzaak is van een definitie van een nieuw geologisch tijdvak, gebruiken milieuwetenschappers de term ‘Antropoceen’ (zie Paul J. Crutzen en Eugene F. Stoermer, ‘The "Anthropocene"’, IGBP Newsletter, 41, Stockholm, 2000, blz. 17-18). Hiermee refereren zij aan de periode sinds het einde van de achttiende eeuw, het startpunt van de industriële revolutie. Het ‘Antropoceen’ volgt op het zogenaamde ‘Holoceen’, het tijdvak sinds het einde van de laatste ijstijd, ongeveer twaalfduizend jaar geleden.

[5] Erik Paredis, ‘Duurzame ontwikkeling: de ambities doorgelicht’, in B. Bode en E. Vervliet (red.), Duurzame ontwikkeling: verbeter de wereld, begin bij de aarde, NoordZuid Cahier, 26 (4), 2001, blz. 33-46.

[6] Herman Daly en Kenneth Townsend, Valuing the Earth: Economics, Ecology, Ethics, MIT Press, Cambridge-Mass., 1993, blz. 267.

[7] Voor een synthese van de wetenschappelijke weerleggingen van de belangrijkste stellingen van Lomborg, zie Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘Pleidooi tegen onredelijk milieuoptimisme’, in Oikos, (29), 2004, blz. 15-33.

[8] State of the World 2004, Worldwatch Institute, New York/Londen, 2004; Norman Myers en Jennifer Kent, ‘New consumers: The influence of affluence on the environment’, in PNAS, 100 (8), 2003, blz. 4963-4968.

[9] Wolfgang Sachs, ‘Environment and Human Rights’, in Wuppertal Papers, (137), november 2003.

[10] Zie onze opiniestukken en publicaties omtrent dit thema: Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘De vlinder van Lorenz: globalisering, ecologie en chaos’, in Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 38 (2), 2004, blz. 109-121; Peter Tom Jones, ‘Olieprijs en Kyoto zitten in hetzelfde debat’, in De Tijd, 7 september 2004; Peter Tom Jones, ‘Het blijft ook volgende week te warm’, in De Financieel Economische Tijd, 13 augustus 2003.

[11] Voor een wetenschappelijke beschrijving van deze zogenaamde ‘Earth System Analysis’, zie H. John Schellnhuber, ‘Earth system analysis and the second Copernican revolution’, in Nature, 402, 1999, blz. C19-C23.

[12] Mathis Wackernagel e.a., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, in PNAS, 99 (14), 2002, blz. 9266-9271.

[13] Voor een wetenschappelijke beschrijving van deze nieuwe inzichten, zie Marten Scheffer e.a., ‘Catastrophic shifts in ecosystems’, in Nature, 413, 2001, blz. 591-596; voor een beschrijving van de implicaties van deze nieuwe ontwikkelingen, zie Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘De vlinder van Lorenz: globalisering, ecologie en chaos’, op. cit.

[14] Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, Londen/New York, 1999, blz. 62.

[15] Vandana Shiva, Monocultures of the Mind. Biodiversity, Biotechnology and the Third World, Zed Books, Londen, 1993, blz. 151.

[16] Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, Londen/New York, 1999, blz. 44. Oorspronkelijk citaat: ‘Satellite pictures scanning the globe’s vegetative cover, computer graphs running interaction curves through time, threshold levels held up as worldwide norms are the language of global ecology. It constructs a reality that contains mountains of data, but no people. [...] They provide knowledge that is faceless and placeless, an abstraction that carries a considerable cost: it consigns the realities of culture, power and virtue to oblivion. It offers data, but no context; it shows diagrams, but no actors; it gives calculations, but no notions of morality, it seeks stability, but disregards beauty’.

[17] Voor een synthese van deze visies, zie Peter Tom Jones, ‘Globalisering, ecologie en duurzaamheid’, in Jan Dumolyn en Peter Tom Jones (red.), Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen, Gent, 2003, blz. 226-253.

[18] Alma De Walsche, ‘Het recht van de aarde: de lange weg naar een nieuw beschavingsmodel’, in B. Bode en E. Vervliet (red.), op. cit., blz. 107-115.

[19] Het voorzorgsprincipe verscheen voor het eerst op het toneel in de jaren zeventig. Meer recent brak het door in diplomatieke kringen. De meest gebruikte definitie is die van de Verklaring van Rio (Principe 15): ‘Where there are threats of serious or irreversible damage, lack of full scientific certainty shall not be used as a reason for postponing cost-effective measures to prevent environmental degradation’. Dit principe is bijzonder relevant in het licht van het klimaatvraagstuk. Hoewel er vandaag nog zeer grote onzekerheid bestaat over de ligging van bepaalde kritische drempelwaarden en de inherente niet-lineaire interacties in het ecosfeer-klimaatsysteem, kan men, gezien de potentieel catastrofale reacties, maar beter op veilig spelen en ervoor zorgen dat het klimaatbeest niet uitgedaagd wordt. Er moeten vandaag dringend effectieve maatregelen genomen worden. Zie Peter Tom Jones, ‘Olieprijs en Kyoto zitten in hetzelfde debat’, in De Tijd, 7 september 2004.

[20] Zo stonden wetenschappers perplex toen zij in de moedermelk van Inuit-vrouwen in Noord-Canada de hoogste PCB-concentraties ooit aantroffen. PCB’s (polychloorbifenylen) interfereren met de werking van onze hormonen en kunnen ernstige gezondheidsrisico’s teweegbrengen. Ondertussen weet men dat ‘persistente organische polluenten’ (zoals PCB’s) in staat zijn via de luchtstromingen afstanden van duizenden kilometers te overbruggen, richting poolstreken. Via dit proces kunnen PCB’s zich accumuleren in de ecosystemen aan de Noord- en de Zuidpool, vooral dan in het vetweefsel van zoogdieren als poolberen en walvissen, aangezien zij bovenaan de voedselketen staan. Het onderzoek toonde helaas aan dat PCB’s ook in de borstklieren van de Inuit-vrouwen ‘gebioaccumuleerd’ waren. Een gelijkaardig voorbeeld is dat van het gat in de ozonlaag, dat werd veroorzaakt door het massale gebruik van CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), bijna uitsluitend in de geïndustrialiseerde wereld. Nochtans vormde het (seizoensgebonden) gat in de ozonlaag zich in de buurt van de Zuidpool, juist op die plaats waar er helemaal geen CFK’s aangewend werden.

[21] Jef Peeters, ‘Duurzame ontwikkeling of duurzame levenswijze?’, Ethische Perspectieven, 9 (1), 1999, blz. 16-26.


© S T R E V E N